Lade Inhalt...

Landbouw, Duurzaamheid en Biologische bestrijding

Hausarbeit 2007 48 Seiten

Agrarwissenschaften

Leseprobe

Inhoud

Woorden: voertuigen van onze gedachten

Een voorbeeld van ontwikkeling: het glasgebruik

Een voorbeeld van wetenschappelijk onderzoek: de verwoestijning in de kas

Landbouw

Wat betekent duurzaamheid voor ons?

Duurzame landbouw

Biologische landbouw

Geschiedenis van de gewasbescherming

Lastenverzwaring

Taak van het onderzoek

Mogelijkheden biologische bestrijding

Perspectief biologische plaagbestrijding

De rol van de voorlichting

Besluit

Abbildung in dieser Leseprobe nicht enthalten

Komkommerkas met komkommers(achter) en opkweek van planten

(voor); Wiersma, 1918. De opkweek is tot 1960 een normale bezig-

heid op het productiebedrijf. Daarna is deze activiteit ‘geëxterna-

liseerd: overgenomen door gespecialiseerde bedrijven.

Woorden: voertuigen van onze gedachten

In woorden formuleren wij onze gedachten. Woorden zijn instrumenten om on­ze ideeën vorm te geven. Het zijn als het ware de voertuigen waarmee wij onze gedachten aan anderen overbrengen. Belangrijk bij het communiceren is dat wij een taal gebruiken, die de ander begrijpt. Spreker en luisteraar, maar ook schrijver en lezer moeten in één taal communiceren. Eenduidigheid in taalgebruik is echter allesbehalve een automatisme! Ik illustreer dit aan de hand van een paar voorbeelden.

De dikke van Dale (199913) geeft als omschrijving voor natuur: ‘toestand waarin iets bestaat voordat men er opzettelijk iets aan heeft veranderd’. Uitgaande van deze omschrijving is het duidelijk dat het Groene Hart géén natuurgebied is maar een cultuurlandschap. Het is gevormd in eeuwen van landbouwbeoefening en drooglegging. ‘Weidevogels’ als groepering vormen een be­kend kenmerk van het Groene Hart. Het zijn vogels die aan de weide, aan de landbouw verbonden zijn. Weidevogels zijn, als de term juist gebruikt wordt, cultuurvolgers; bewoners van een (steeds veranderend) cultuurlandschap en dus een groep die steeds verandert van samenstelling.[1] Toch duiden velen het Groene Hart aan als een natuurgebied. ‘Natuurgebieden aanleggen’ is uitgaande van de omschrijving in de dikke van Dale een ‘contradictio in terminus’. Filosofen spreken in dit verband wel over de ‘uitvinding van natuurontwikkeling’.[2]

Om politieke redenen (natuur is ‘in’ en daarvoor is dus geld beschikbaar) wordt dit begrip oneigenlijk gebruikt. Misschien duidt het woordgebruik ook wel op nostalgie. Zoals het cultuurlandschap er vroeger uitzag was het goed. Dat was ‘natuur’. Bijna honderd jaar geleden schreven twee landbouwkundigen in een beschrijving van de akkerbouw in Nederland het volgende over de veranderingen in het cultuurlandschap:[3]

Wie b.v. na dertig jaren in Amerika te zijn geweest, heden [1913] in den Gelderschen Achterhoek terugkeert, zal nauwelijks wanen zich op den bodem te bevinden waar hij zijne jonge jaren sleet, althans als hij de streek met landbouwersoogen beziet. Het landbouwbeeld is daar een geheel ander geworden.

Niet aldus in de Betuwe en op de Utrechtsche kleigronden, waar bloeiende onkruidvelden nog heden ten dage evenals honderd jaren geleden eene bejammerenswaardige kleurenpracht ten toon spreiden.

De ‘bejammerenswaardige kleurenpracht’ is het cultuurlandschap waar veelmensen naar verlangen en die zij als natuur omschrijven! Ook het Achterhoekse landschap, zoals dat er in 1913 uitzag, de gemoderniseerde Achterhoek anno 1913 dus, wordt nu als natuur omschreven. Misschien is natuur wel te omschrijven als ‘datgene wat de mensen zich uit hun jeugd herinneren’. Een voorbeeld hiervan geeft Van Someren.[4] Hij beschrijft in 1997 het in 1913 als gemoderniseerd omschreven landschap van de Achterhoek als ‘natuur’ met het volgende beeld.

Vroeger had je bij voorbeeld een riviertje dat zich slingerend door de Achterhoek bewoog.

Toen kwam het waterschap en werd besloten dat riviertje recht te trekken.

Toen kwam het waterschap nog een keer en werd besloten weer slingers in het riviertje te leggen.

Wat is het verschil?

Vroeger slingerde dat riviertje omdat het riviertje dat wou [in de belevingswereld van Van Someren], nu omdat het waterschap het wil.

Vergelijking van bovenstaande twee citaten, respectievelijk uit 1913 en 1997, illustreren de nostalgie van de moderne mens. Het in de herinnering levende beeld van de landbouw wordt als natuur omschreven. Historisch besef, mede opgedaan door de omschrijving uit 1913, leert ons dat het hier, in de Achterhoek, om een ‘gemoderniseerd’ cultuurlandschap gaat.

In onze kring, in de gewasbescherming, zijn ook voorbeelden te vinden van oneigenlijk gebruik van termen. Ik heb daar eerder op gewezen.[5] Een voorbeeld van onjuist woordgebruik in de gewasbescherming betreft het gebruik van de termen biologie en chemie. Hierbij verengt men het begrip biologie tot de toepassing van biologische bestrijders en -biologische middelen. Het begrip chemie wordt beperkt tot de toepassing van syn­thetisch organische gewasbeschermingsmiddelen. Chemie is ‘verwerpelijk’. Veel biologie en weinig chemie toepassen is dus het motto. Met zo’n attitude wordt gescoord. Als de mensheid erin geslaagd is een zichzelf replicerende machine te bouwen (leven te maken in het laboratorium, een kwestie van tijd dus) zal het duidelijk worden dat levende organismen gecompliceerde, chemische constructies, chemische fabriekjes zijn. De tegenstelling biologie versus chemie, die in de wetenschap niet bestaat, zal dan wellicht in de maatschappij verdwijnen. Recent formuleerde een bioloog zijn ideeën als volgt:[6]

Alle leven wordt gevormd door cellen. Cellen zijn ingewikkelde organismen of kleine fabriekjes boordevol chemische processen en verbindingen. Cellen bestaan uit vele miljoenen biomoleculen.

Ik denk dat het voor het debat belangrijk is om begrippen goed te definiëren. Overheid, bedrijven en maatschappelijke organisaties (ook Artemis) hebben de nijging om taal verhullend te gebruiken. Men neigt ertoe ideeën achter woorden te verbergen. Ik denk dat de maatschap­pij daarmee niet gediend is.

In dit essay zal ik proberen mij zo helder mogelijk uit te drukken.

Ik begin dit essay met een voorbeeld hoe (veel) ontwikkelingen in de landbouw verlopen. De drijvende factoren achter die ontwikkeling zijn zuinigheid, opbrengst en arbeidsomstandigheden.

Abbildung in dieser Leseprobe nicht enthalten

Toen arbeid relatief goedkoop was en de gevaren van bestrijdingsmiddelen voor de gezondheid amper bekend waren, werd de techniek van het lijnspuiten gehanteerd; ± 1950.[7]

Een voorbeeld van ontwikkeling: het glasgebruik

Het gebruik van glas is een goed voorbeeld om de ontwikkelingsgang in de tuinbouw (en breder gezien in de landbouw) te illustreren. Het schietraam (de oudste vorm van glasgebruik waarvan een goed plaatje bestaat) was een groot, log raam. Dit raam werd onder andere vóór de druivenboom tegen de drui­ven­muur geplaatst om een vroegere oogst te verkrijgen. Daarnaast deed het dienst als platglas. Het raam was onhandig zowel in de productie als in het gebruik.

Abbildung in dieser Leseprobe nicht enthalten

Schietramen geplaatst voor een druivenmuur (Woutersweg, ’s-Gravenzande) Het vele timmer- en schilderwerk is aan de ramen af te lezen.Eén raam was door middel van drie stijlen onderverdeeld in vier rijtjes ruiten, in totaal twintig stuks.Het plaatje is uit 1927. Het schietraam was toen al verleden tijd. De gaten in het glas laten dit zien[8].

Het raam maken was duur en omslachtig. Het werd, althans in het Westland, gemaakt van Amerikaans grenenhout, de dorpel soms van eiken. Een timmerman maakte het raam pasklaar, een schilder verfde het geheel en zette de ruitjes in stopverf. Rond 1890 kostte een raam van 4 x 5½ voet (1.25 x 1.72 m) zes tot zeven en halve gulden per stuk[9] (één gulden is € 0.45). Het plaatsen en verplaatsen van zo’n raam was omslachtig. Er waren twee mensen nodig om dit zware, grote raam op te pakken. De eenruiter was andere koek. Dit raam was de helft kleiner (0.73 x 1.41 m; glasmaten, exclusief lijst) en bestond uit slechts één ruit. Het had in het gebruik grote voordelen. Er was minder hout bij nodig en dus minder onderhoud. Het werk van de timmerman was eenvoudiger geworden omdat er binnen de lijst maar één ruit was. Het raam kon op de tuin in de lijst geschoven worden. Een schilder kwam er dus niet meer aan te pas. Het raam werd behalve eenvoudiger ook goedkoper. Het grootste voordeel van deze vernieuwing was de grotere lichttransmissie. En licht, dat wisten de mensen een eeuw geleden ook al, is de motor van de plantengroei.

De overgang van het schietraam naar de eenruiter, nu ruim 1¼ eeuw geleden, is een duidelijk voorbeeld van verduurzaming. De rug werd gespaard: P(eople); er was minder hout nodig: P(lanet) en er groeide meer onder het glas: P(rofit). Ook toen zal er over deze vernieuwing wel geklaagd zijn door vooral de schil­der maar ook door de timmerman. Zij verloren immers werk!

De eenruiter staat aan de basis van het warenhuis. Bij het warenhuis waren de eenruiters (met lijst) omhoog gebracht. In het warenhuis konden hoogopgaande gewassen als tomaten geteeld worden. Het werk kon in de kas, binnen, gedaan worden. De arbeidskosten waren lager en de werkomstandigheden aangenamer.

Abbildung in dieser Leseprobe nicht enthalten

Gestookt warenhuis waar de ramen vanaf genomen zijn om de natuur te laten inwerken (uitspoelen zout) Foto: W. van Soest.

Vereenvoudiging in de bouw (en dus goedkoper bouwen) en een betere lichttransmissie (en dus een hogere productie) zijn in de kassenbouw de motoren van de ontwikkeling geweest. Bij het Venlowarenhuis, dat oorspronkelijk crisiswarenhuis heette[10], werden de ruiten ingeschoven in een stijl die aan twee kanten gebruikt werd. Dat betekende drie verbeteringen, drie vliegen in één klap. De bouw werd goedkoper (minder hout nodig), de kieren tussen de losse lijsten verdwenen (géén directe regenval meer in de kas, die ook beter gesloten was) en als belangrijkste voordeel een betere lichttransmissie. Het was de uitwerking, de realisatie van de gedachte van de Naaldwijkse tuinbouwconsulent Wiersma zoals deze dat in 1918 verwoordde: Het licht is de bron van arbeidsvermogen voor onze planten[11]. Vergrotingen van de glasbreedte van 0.73 tot 1m en breder hadden alle het­zelfde effect: minder materiaalgebruik, een betere lichttransmissie, een betere sluiting van de kas (min­der koudebruggen) en goedkoper.

De ontwikkelingsgeschiedenis van de kas in weergegeven in de volgende figuur.[12]

Abbildung in dieser Leseprobe nicht enthalten

Dit voorbeeld dat met vele andere aangevuld kan worden maakt duidelijk dat de toepassing van nieuwe vindingen in de landbouw vaak be­rust op twee peilers: een beter technisch resultaat en een beperking van de kosten.[13] Bij de biologische bestrijding komt dit aspect opnieuw aan de orde.

Een voorbeeld van wetenschappelijk onderzoek: de verwoestijning in de kas

Abbildung in dieser Leseprobe nicht enthalten

K. Wiersma, Rijkstuinbouwleeraar voor Zuid-Holland: Het licht is de bron van arbeidsvermogen voor onze gewassen.

Een van de problemen waar de glastuinbouw in de eerste drie decennia van de twin­tigste eeuw mee geconfronteerd werd was een ernstige groeistagnatie in kassen die lange tijd met glas bedekt waren. Grond die lange tijd met glas bedekt was om­schreef de praktijk als ‘onnatuurlijk dood.’ Bekend was dat dit probleem minder ernstig was op opdrachtige gronden. De weten­schappelijke verklaring, beschreven door Wiers­ma, van dit verschijnsel was dat de colloïden (deeltjes <10-6m) te sterk uit­gedroogd waren om snel water op te ne­men. De praktijk ging dit verschijnsel te lijf door gedurende het winterhalfjaar de ramen van het warenhuis af te nemen. In kassen met vast glas werd in het win­ter­half­jaar de kas (met de kruiwagen) volgereden met sneeuw. Een andere methode was – ook met de kruiwagen – de kasgrond vervangen door grond van buiten.

Abbildung in dieser Leseprobe nicht enthalten

Bekend was dat de problemen van de ‘onnatuurlijk dode’ kasgrond op opdrachtige gronden minder ernstig waren dan op zandgronden. Op basis van deze kennis beschrijft Wiersma een methode om met een stelsel van draineerbuizen de ondergrond nat te maken en daardoor het opdrachtige karakter van de grond te versterken. Wiersma schrijft hierover:[14]

Abbildung in dieser Leseprobe nicht enthalten

Op zand-, zavel- en zelfs op vrij zware kleigronden begint men in verschillende soorten kassen deze wijze [van infiltratie via drainbuizen] meer en meer toe te passen en vrijwel algemeen is men er uiterst voldaan over.

Abbildung in dieser Leseprobe nicht enthalten

In het begin van de jaren dertig bleek dat het probleem van de ‘onnatuurlijk dode grond’ veroorzaakt te worden te worden door zoutophoping in de bovengrond.[15] Het sy­steem van infiltratie in de ondergrond diende vervangen te wor­den door afvoer van water (met de opgeloste zouten) uit de ondergrond (echte drainage).

Abbildung in dieser Leseprobe nicht enthalten

Deze ontdekking, de ontdekking dat in een kas eigenlijk hetzelfde plaats vond als in een woestijn (verdamping van water aan het oppervlak en daarmee concentratie van zout aan het oppervlak) is van wezenlijke betekenis geweest voor de glastuinbouw. De ontwikkeling van de kas met het vaste kasdek, de Venlokas, was in West-Nederland niet mogelijk zonder het pro­bleem van de verzilting op­gelost te hebben. De eerste Venlokas is gebouwd in Limburg aan het eind van de jaren twintig in de vorige eeuw.[16] Omdat in Limburg de glastuinbouw plaats vond op diep ontwaterende gronden speelde het probleem van de verzilting, van de ‘woestijnvorming’ in de kas niet. Het idee van Wiersma uit 1918 werd in Limburg, tien jaar na de publicatie ervan, gerealiseerd. Dat idee formuleerde hij in 1918 als volgt:[17]

Abbildung in dieser Leseprobe nicht enthalten

Construeert men het model warenhuis als vaste kas, dan kan de bouw goedkooper zijn, daar men de houten lijsten nu door een roe kan vervangen en dus besparing van materiaal en werkloon krijgt. … De kas wordt door het aanbrengen van vaste roeden sterker en, omdat er veel minder kieren zijn, warmer. … De grootste fout van het warenhuis is echter m.i. het tochten en lekken, en ik geloof, dat alle kweekers het met mij eens zijn, dat juist daarin vaak de bron van ziekte zit. Hoe menige plant is op de lekplaats niet weggevallen, nadat ze soms eerst een ander had aangestoken. Door deze oorzaken is dan ook het warenhuis als stookkas minder geschikt en zoo heeft men ook in dit opzicht met de vaste kas meer vrijheid van beweging.

Neerzetveiling Westerlee, 1963. De tuinder voerde de producten aan, deze werden op kwaliteit gekeurd en vervolgens door de teler neergezet naar kwaliteit en sortering (grootte). Tomaten vormden een blokproduct. De producten werden niet op naam verkocht maar op klasse (kwaliteit en grootte). Indien een tuinder een product aanvoerde dat beter was dan de gemiddelde kwaliteit van dat blok leverde dat géén individueel voordeel op.

Abbildung in dieser Leseprobe nicht enthalten

Druivenkwekerij gebr. Sohie, Hoeilaart, België. Sohie leerde het vak bij baron De Peuthy. De Nederlandse telers hebben de glascultuur van druiven op dit bedrijf afgekeken. Het is misschien wel het meest wezenlijke van de landbouw in onze landen: zien hoe het elders gaat, dit thuis toepassen en blijven verbeteren.

De welvaart van de ondernemers is aan het (driedubbele) woonhuis op de achtergrond af te lezen.[18]

Abbildung in dieser Leseprobe nicht enthalten

Advertentie uit ‘De R.K. boeren- en tuin­dersstand’; 18-11-1937. In 1937 was het dieptepunt van de crisis net voorbij.

Abbildung in dieser Leseprobe nicht enthalten

In 1935 was de ve­i­ling­omzet iets meer dan de helft van 1931. De crisis was heftiger, dieper, dan die rond 1880.

[...]


[1] Het cultuurlandschap is in onze maatschappij ook een consumptiegoed. Veranderingen in de productiewijze die invloed hebben op bedoelde cultuurvolgers mogen alleen doorgevoerd worden in overleg met de direct betrokkenen (overheid, natuurbeschermingsorganisaties).

[2] Drenthen, M., 1998. Maakbare natuur, waanzinnige oase of wonderlijke wereld? Annalen van het Thijmgenootschap 86 (3): 41-46.

[3] Mayer Gmelin, H.K.H.A. & Th. J. Mansholt, 1913. Akker- en weidebouw. In: Hoek, P. van e.a. De Nederlandsche landbouw in het tijdvak 1813-1913. Gebr. Langenhuyzen, ’s-Gravenhage: 243-293.

[4] Someren, Koos van, 1997. Over maakbare natuur. NRC, 12 april. Zie ook Annalen van het Thijmgenootschap, 86-3 (1998):15-22.

[5] Vijverberg, A.J., 2004. Toekomst biologische bestrijding. Gewasbescherming 35: 18-19.

[6] Noteborn, M.H.M., 2005. Biomoleculaire dans van leven, ziekte en dood. Aanvaardingsrede Universiteit Leiden.

[7] Bieleman, J., 2000. Gewasbescherming. In: Techniek in Nederland in de twintigste eeuw . Historie der techniek/ Walburg Pers, Zutphen III: 202-225.

[8] Muyzenberg, E.W.B. van den, 1980. A history of greenhouses. Institute for Agricultural Engineering, Wageningen: 414.

[9] Barendse, J., 1951. Hollands tuin. De Westlandse tuin van vroeger en nu. Bond Westland, Naald­wijk: 137.

[10] Anonymus, 1954. Veenman’s Agrarische Winkler Prins, lemma warenhuis.

[11] Wierma, K., 1918. Kassen en kassenbouw. Bootsma, ’s-Gravenhage: 11.

[12] Vijverberg, A.J., 1996. Glastuinbouw in ontwikkeling. Beschouwingen over de sector en de beïnvloeding ervan door de wetenschap. Eburon, Delft: 56.

[13] Vijverberg, A.J., 1996, t.a.p.: hoofdstuk 3.

[14] Wiersma, 1918 t.a.p.: 53.

[15] Anonymus, 1949. 25 Jaar tuinbouw –onderwijs –voorlichting –onderzoek in het Zuid-Hollands Glasdistrict. Jubileumboek ir, J.M. Riemens. Hafkamp, Amsterdam.

[16] Gerritsen, J.D. e.a.,1957. In welke richting zal de kassenbouw zich ontwikkelen? Mededelingen Directeur Tuinbouw 20: 235-239.

[17] Wiersma, 1918. t.a.p.: 69.

[18] Michiels, A., 1978. 5000 Jaar druif, 100 jaar tafeldruif in Overijse. Gemeente Overijse.

Details

Seiten
48
Jahr
2007
ISBN (Buch)
9783640332625
Dateigröße
3.5 MB
Sprache
Niederländisch
Katalognummer
v127221
Note
Schlagworte
Landbouw Duurzaamheid Biologische

Autor

Teilen

Zurück

Titel: Landbouw, Duurzaamheid en Biologische bestrijding