Lade Inhalt...

Het Duitse Hollandbeeld

Een taalwetenschappelijk onderzoek naar het nationaal stereotype van Duitsers over Nederlanders en hun waarneming van de Nederlandse taal

Hausarbeit 2017 34 Seiten

Niederlandistik (Literatur, Sprache, Kultur)

Leseprobe

Inhoudsopgave

1. Inleiding

2. Voorafgaand onderzoek

3. Onderzoek
3.1 Onderzoeksvragen
3.2 Methode
3.2.1 Enquête
3.2.2 Opnames
3.3 Verwachtingen

4. Resultaten
4.1 Stereotype van Duitsers over Nederlanders
4.2 Waarneming van de Nederlandse spreekster
4.3 Kennis en contact

5. Conclusie

Literatuur

Appendix

1. Inleiding

Het is algemeen bekend, of het lijkt de algemene openbare mening te zijn, dat Duitsers positief ingesteld zijn tegenover de Nederlanders. Uit onderzoek bleek, dat Duitsers zelfs positiever tegenover Nederlanders dan tegenover zichzelf ingesteld zijn (Beelen, 2001). Men zou kunnen denken, dat het altijd zo is geweest: de onvriendelijke, hardwerkende Duitser en de sympathieke, gastvriendelijke Nederlander. Maar als men het Duitse Hollandbeeld in de literatuur bekijkt, lijkt er een door de eeuwen heen wisselend, niet steeds positief beeld te existeren.

In de 17e eeuw keken de Duitsers nog vol bewondering op Nederland. Vanaf de tweede helft van de 18e eeuw keken ze echter vol hoogmoed op hen neer. Vooral de taal is een “bevoorrecht mikpunt van spot” (Groenewold, 2001). De meeste auteurs tussen 1790 en 1870 herhalen voortdurend de stereotypen en vooroordelen van de longue dureé[1] en storen zich aan de “zonder meer lelijke Nederlandse taal” (Groenewold, 2001). Het Duits beeld van de Nederlander lijkt toen doorgaans negatief te zijn: langzaam, plomp, stijf, koud, pedant en formeel (Groenewold, 2001). Slechts een handvol auteurs probeert dit negatief beeld te relativeren. Zo schrijft Langbehn dat de “Hollanders de betere Duitsers zijn” en dat “vooroordelen zouden verdwijnen als de Duitsers ... meer tot “Hollandgangers” zouden worden” (Groenewold, 2001).

In de literatuur uit de naoorlogse periode is een duidelijk positievere houding, maar tegelijkertijd nog steeds negatief beeld van de Duitsers over de Nederlanders te vinden (Groenewold, 2001). Volgens Groenewold (2001) is er bij de auteurs uit de tijd van de Weimarer Republiek meer kennis over Nederland te vinden dan in de naoorlogse periode.

Tegenwoordig, in het begin van de 21e eeuw, is nog steeds deze bestendige positieve houding te vinden. Beelen (2001) beschrijft het stereotype van andere nationaliteiten als nationaal stereotype[2]. Hoe zo een nationaal stereotype eruit kan zien presenteerde DER SPIEGEL in 1994: het destijds typische Holland-cliché “Frau Antje”.

De karikaturist Sebastian Krüger beeldde ze af met verschillende stereotypen: tulpen, molen, drugs, bier enz. (Hetzel, 2009). Zowel de karikatuur als ook het artikel bereidden een groot discussiepotentiaal, omdat het een publiek negatief beeld verbreidde: Nederland is decadent, een drugsparadijs en crimineel (Hetzel, 2009).

Deze publicatie ligt meer dan twintig terug. Binnen deze tijd werd niet veel onderzoek gedaan naar het stereotype van Duitsers over Nederlanders. Vandaar dat het interessant is het tegenwoordige stereotype te actualiseren. Vervolgens werd in dit onderzoek de vraag nagegaan hoe het actuele stereotype van Duitsers over Nederlanders eruitziet en daaroverheen ook hoe de Duitsers de Nederlandse taal waarnemen en beschrijven. Daarnaast staat de vraag centraal of het positieve beeld dat Duitsers over Nederlanders hebben, samenhangt met hun contact met Nederlanders en kennis van het land. Voor Borek (1995), Groenewold (2001) en zelfs voor Langbehn in de negentiende eeuw was de centrale factor ‘kennis’ al bekend (Groenewold, 2001).

2, Voorafgaand onderzoek

De Duits-Nederlandse relatie is een gebied waarin al sinds decennia onderzoek wordt gedaan. Er bestaat zelfs een belevingsonderzoek over de positie van de Duitse taal in Nederland (Duitsland Instituut Amsterdam, 2010). Als er onderzoek plaatsvindt in de Europese context wordt vooral daarnaar gekeken hoe de Nederlanders de Duitsers zien of anders gezegd, als het erom gaat hoe landen zich wederzijds zien lijkt Duitsland het meest in deze vraag geïnteresseerd te zijn (Renckstorf & Lange, 1990). Opvallend weinig onderzoek is daarentegen naar de andere richting gedaan. Namelijk naar hoe de Duitsers de Nederlanders zien.

Een van de eerste onderzoeken werd rond 1990 in samenhang met het destijds actueel uitwisselingprogramma Europroject doorgevoerd. Hagendoorn (1995) probeerde de wederzijdse stereotypen van Duitsers, Belgen en Nederlanders in de Europese context uit te vinden. Centraal hierbij stond het stereotype over de Duitsers, en toch zijn er interessante resultaten voor dit onderzoek te vinden. Volgens de resultaten associëren de Duitsers vele positieve kenmerken met de Nederlanders, zoals bijvoorbeeld sympathiek, vriendelijk, levensgenieters en competitief. De Duitsers werden als efficiënt, dominant en minder emotionaal waargenomen dan de Nederlanders. Een mogelijke verklaring voor de ‘dominantie-associatie’ zou het toekennen aan vooral grote landen kunnen zijn (Hagendoorn, 1995).

Een ander onderzoek is het Euregio onderzoek, die plaats heeft gevonden in 1995 in de Euregio ruimte Gronau/Enschede; opgezet van het Duitse dagblad Westfälische Nachrichten (WN), het Nederlandse dagblad Tiibantia en de Hogeschool Enschede (Blank & Wiengam, 1994). De onderzoekers waren van plan de relatie tussen Nederlanders en Duitsers nader te bekijken. Nog nooit eerder heeft er in de Europese ruimte zo een onderzoek plaats gevonden (Borek, 1995). Het bleek, dat Duitsers positief tegenover de Nederlanders ingesteld waren. Positiever dan tegenover zichzelf. Erover werden verschillende theorieën opgesteld, die probeerden te verklaren, waarom Duitsers vooral de Nederlanders meestal positief beschrijven. Vanuit sociologische beschouwing heeft het te maken met de - niet existente - kennis van de Duitsers over de Nederlanders.

3, Onderzoek

Bij dit onderzoek wordt geprobeerd een klein actueel Duitse Nederlandbeeld weer te geven. Het onderzoek werd schriftelijk doorgevoerd. In totaal hebben er 28 respondenten aan het onderzoek deelgenomen, tussen de 18 en 90 jaar. Daarvan zijn zeven mannelijk en eenentwintig vrouwelijk. Het zijn niet genoeg respondenten om een algemeen geldig conclusie te trekken. Maar het geeft een goede basis voor verder onderzoek.

3,1 Onderzoeksvragen

Het zwaartepunt ligt zowel op het Duitse stereotype van Nederlanders als ook op de waarneming van het Nederlands door Duitsers. Daarbij staan volgende vragen centraal:

1) Wat is het huidige stereotype van Duitsers over Nederlanders?
2) Lijdt de Nederlandse taal naar een sympathieker waarneming van een persoon? Welke eigenschappen worden eerder aan een Nederlandse spreekster toegewezen?
3) Hebben mensen met contact naar Nederland/met Nederlanders of veel kennis over Nederland andere vooroordelen dan mensen met minder contact of minder kennis?

3.2 Methode

Bij de methode werd voor een enquête in verbinding met spraakopnames gekozen. De enquête bestaat zowel uit open vragen, multiple choice vragen en een Likert-scala Het werd geprobeerd de enquête zo op te bouwen, dat de respondenten niet te bewust werden van het afvragen over hun stereotype beeld van Nederland.

3.2.1 Enquête

De deelnemers werden vooraf niet door te veel informatie beïnvloed. Zo wordt er in de inleiding van de enquête alleen maar gezegd, dat het een onderzoek naar de waarneming van taal is. Daarnaar volgen vragen over algemene gegevens over de respondent zelf.

In de enquête werden de respondenten als eerste gevraagd om vijf connotaties in te vullen, die het eerst in hun gedachtes opkomen als ze aan een Nederlander denken. Op die manier wordt geprobeerd een beeld van de actuele stereotype Nederlander te tekenen. Verder wordt afgevraagd of ze deze associaties eerder positief of negatief opvatten. Naast het afvragen van associaties i.v.m. een Nederlander, worden de respondenten gevraagd hun eerste vijf associaties over/met/van de Nederlandse taal aan te geven. Ook deze associaties moeten ze van positief naar negatief beoordelen.

Vervolgend wordt de spraakopname met de “Nederlandse spreekster” afgespeeld. De deelnemers worden gevraagd om de spreekster te beoordelen (zie hiervoor de vragenlijst in de appendix). De gebruikte vragen voor de beoordeling werden overgenomen van Doeleman (1998). Na de Nederlandse spraakopname, word dezelfde tekst in het Duits aan de deelnemers voorgespeld. Ook na deze opname beoordelen de respondenten de “Duitse spreekster”. Verder worden er nog verschillende vragen gesteld m.b.t hun kennis over Nederland en hun contact of met Nederlanders of gewoon het land. Om te weten te komen of de respondenten kennis over Nederland hebben, werden open vragen over de monarchie (namen van het koningspaar), de politiek (bekende politieke partijen), de geografie (hoofdstad van Nederland) en de aantal inwoners gesteld. Omdat naast de kennis ook het contact een interessante rol speld, werden de respondenten nog voor informatie over hun contact met Nederland en/of Nederlanders afgevraagd. Afsluitend worden de deelnemers om een zelfinschatting gevraagd, of ze zich goed met een Nederlander zouden verstaan en of ze graag contact met een Nederlander zouden willen hebben. De laatste vragen dienen ervoor, om in te kunnen schatten hoe hun algemene instelling tegenover Nederlanders eruitziet. Dus, zelfs als een respondent negatieve stereotypen tegenover Nederlanders en de taal heeft, zou het een positieve houding tegenover toekomstige contacten met Nederlanders niet uitsluiten.

3,2,2 Opnames

De opnames werden door een vrouwelijke spreekster ingesproken. Belangrijk bij de keuze van de spreekster was, dat zij tweetalig werd opgevoed en zowel Nederlands als ook Duits zonder accent kan spreken. Omdat bij dit onderzoek naar de waarneming van een taal werd gekeken, werd door de keuze van deze spreekster geprobeerd een mogelijk optredende sympathie voor een spreekster te voorkomen. Dus, als de respondent de audio opname van de “Duitse” spreekster positiever zal beoordelen dan die van de “Nederlandse” spreekster, zal het minder aan de spreekster of sympathie tegenover de spreekster liggen, maar eerder aan de taal, omdat het dezelfde persoon is. De tekst waarvoor werd gekozen is oorspronkelijk uit het onderzoek Native reactions to nonnative speech van Doeleman (1998). Alleen maar de namen werden aan de huidige tijd en het doel van dit onderzoek aangepast: van “Jan, Petri en Masha” naar “Jan, Sandra en Emily”. Het zijn moderne namen die zowel in Nederland als ook in Duitsland bekend en gebruikelijk zijn. De tekst werd door de onderzoeker zelf naar het Duits vertaald.

Als eerst werd de Nederlandse opname afgespeeld. Aansluitend hebben de respondenten tijd op een Likert-scala hun inschatting van de spreekster in te vullen - van ‘helemaal mee eens’ naar ‘helemaal mee oneens’. Het werd ervoor gekozen als eerst de Nederlandse opname te presenteren, om te voorkomen, dat de respondent wordt beïnvloed. In het geval dat eerst de Duitse opname afgespeeld wordt, zou het van invloed op het begrijpen en waarnemen van de Nederlandse opname kunnen zijn. Het zou minder vreemd en beter te begrijpen kunnen zijn. Dit zou weer van invloed op de inschatting van de spreekster kunnen zijn. Na verloop van de Nederlandse opname en het invullen van de Likert-scala, krijgen de respondenten de Duitse versie te horen en ook hier aansluitend de tijd om de scala in te vullen.

3.3 Verwachtingen

Er werd een doorgaans positief beeld verwacht. De Duitser zal de stereotype Nederlander als vriéndelijk en met verdere bekende nationale stereotype beschrijven.

De Nederlandse spreekster zal sympathischer waargenomen worden. De Duitse spreekster als serieuzer en succesvoller. Mensen met meer kennis of contact zullen en persoonlijker stereotype hebben, dan mensen met minder contact of kennis.

4. Resultaten

In het volgende werden de resultaten van bepaalde vragen uit de enquête weergegeven. Naast de open vragen m.b.t. de associaties van een Nederlander en van de Nederlandse taal worden ook de vragen naar kennis en contact geanalyseerd. Bovendien worden ook de inschattingen over de spreekster van de audio-opnames geanalyseerd en weergegeven. Verdere vragen die in de enquête worden gesteld, zijn voor deze vraagstelling niet van belang en worden bij de analyse buiten beschouwing gelaten.

4.1 Stereotype van Duitsers over Nederlanders

De respondenten werden gevraagd vijf associaties, vrij uit hun hoofd, betreffend een Nederlander/Nederlandse in te vullen. Deze methode is anders dan die gewoon gebruikte benadering, zoals bijvoorbeeld bij Hagendoorn (1995), wie direct bepaalde kenmerken aan de respondenten offreerde. De antwoorden werden in vier verschillende categorieën ingedeeld: uiterlijk, eigenschappen van mensen, eigenschappen van het land, taal en overige.

Abbildung in dieser Leseprobe nicht enthalten

Van 140 mogelijke associaties zijn in totaal 110 samengekomen. Opvallend is, dat de meeste antwoorden associaties met het land zijn. Er werden 81 van 110 gegeven associaties naar de categorie “eigenschappen van het land” toegeschreven, rond 73% van alle associaties m.b.t. een Nederlander hebben helemaal niets met de Nederlander “in persoon” te maken. Slechts 9% zijn associaties met menselijke eigenschappen zoals vriendelijk, tolerant en vrolijk. Lager scoren alleen maar de associaties met de Nederlandse taal. Minder dan 7% van de respondenten denkt aan de Nederlandse taal. Bijna 11% denken aan iets wat het uiterlijk is toe te schrijven.

De meest genoemde associatie in de categorie “eigenschappen van het land” staan in verband met drugs en coffeeshops (17) en kaas (11). Minder vaak, maar nog steeds present zijn associaties zoals Oranje (6), fietsen (6), bloemen/tulpen (5), camping (5) en Amsterdam (5).

Vervolgens werden de deelnemers gevraagd, om hun associaties van positief naar negatief te beoordelen. Duidelijk meer dan de helft van alle associaties - in totaal 80 - hebben voor de respondenten een positieve connotatie. Slechts minder dan 10% van de gegeven antwoorden werden in een negatief verband gebracht.

Abbildung in dieser Leseprobe nicht enthalten

Prozentsätze und Gesamtwerte beruhen auf den Antworten.

Deze benadering voor het nationaal stereotype wordt voor de (stereotype) waarneming van de Nederlandse taal herhaalt. De respondenten werden gevraagd, vrij uit hun hoofd, vijf associaties betreffend de Nederlandse taal aan te geven. In aansluiting daarop werden de antwoorden voor de analyse in seis verschillende categorieën ingedeeld: overeenkomsten met de Duitse taal, positieve waarneming, interessant/anders, negatieve waarneming, beschrijving van taal en grappige taal. De respondenten hebben onder andere waarderende associaties aangegeven. Voor de analyse werden de categorieën ‘positieve/negatieve waarneming en grappige taal’ opgesteld, omdat de gebruikte woorden in het algemeen taalgebruik een eenduidige connotatie hebben, zoals bijvoorbeeld vriendelijk, schattig, gezellig, niet aantrekkelijk enz.

Van 140 mogelijke associaties zijn in totaal 90 samengekomen. De meeste antwoorden zijn in verband met twee categorieën te vinden: ‘lijkt op het Duits’ en ‘beschrijving van taal’. Begrippen die bij de laatstgenoemde categorie in werden gedeeld zijn beschrijvende woorden zoals bijvoorbeeld: ch-klanken, kauwgom kauwend, mooie klank, hard, onduidelijk spreken.

Verder werden de respondenten ook hier gevraagd om hun antwoorden van positief naar negatief te beoordelen. Rond 20% van de associaties in verband met de taal werden van de respondenten als negatief waargenomen. Toch lijkt de taal zelf naar een positief waarneming te lijden: Bijna de helft van alle gegeven antwoorden worden positief geassocieerd, waarvan vooral de overeenkomst met het Duits positief geassocieerd werd.

Abbildung in dieser Leseprobe nicht enthalten

4.2 Waarneming van de Nederlandse spreekster

In vervolg op de open vragen betreffend hun associaties met ‘de Nederlander/Nederlandse’ en de Nederlandse taal, luisteren de respondenten naar de audio-opnames. De verschillende talen lijken in bepaalde punten tot een ander beeld over de spreekster en haar eigenschappen te lijden.

Abbildung in dieser Leseprobe nicht enthalten

*Bij een significant verschil van meer dan 10 % werd het procent vetgedrukt.

De waarneming van de spreekster verschilt opvallend in de volgende punten: De Duitse spreekster lijkt voor de meeste respondenten intelligenter, succesvoller, arroganter, netter en een beter kaderlid te zijn, dan de Nederlandse spreekster. Daar tegenovergesteld lijkt de Nederlandse spreekster grappiger, hulpvaardiger en een beter vriendin dan de Duitse spreekster te zijn. De resultaten geven hetzelfde beeld weer als die van het ‘Euregio- onderzoek’ (Blank & Wiengam, 1994).

[...]


[1] longue dureé = langzame ontwikkeling van gezelschappelijke, politieke en wetenschappelijke structuren en geografische gegevenheden; hier. water, molens, reinheid, flegma

[2] Een aan de oppervlakte liggende niveau van het Nederlandse beeld van Duitsers (Beelen 2001).

Details

Seiten
34
Jahr
2017
ISBN (eBook)
9783668652866
ISBN (Buch)
9783668652873
Dateigröße
620 KB
Sprache
Niederländisch
Katalognummer
v414013
Institution / Hochschule
Westfälische Wilhelms-Universität Münster
Note
2,0
Schlagworte
duitse hollandbeeld duitsers nederlanders nederlandse

Autor

Teilen

Zurück

Titel: Het Duitse Hollandbeeld