Lade Inhalt...

'In Nederland kunnen we geen pleinen maken'De Utrechtse Pleinen - een kleine urbanistische benadering

Hausarbeit (Hauptseminar) 2003 20 Seiten

Leseprobe

Inhoud

1 Inleiding

2 Waarom kunnen Nederlanders geen pleinen maken? ...een benadering vanuit een historisch perspectief

3 Het plein als onderdeel van de openbare ruimte

4 Pleinen in Utrecht – Kunnen Utrechters pleinen maken?
4.1 Het Vredenburg
4.2 De Neude
4.3 Het Janskerkhof
4.4 Het Stadhuisplein (Korte Minnebroederstraat)

5 Conclusie

geraadpleegde literatur

1 Inleiding

De aantrekkelijkheid van de Utrechtse binnenstad is voor een belangrijk deel aan de historische contouren van de stad te danken. De stad is evenals vele andere oude steden het resultaat van eeuwenlange bouwactiviteiten van hun bewoners en vertegenwoordigers.

Voor planologen is een versnipperde oude historische binnenstad met hun rijk geschakeerde aantal straten, pleinen, grachten en gebouwen droom en nachtmerrie tegelijk, want dat betekent werk! Bewoners, bedrijven en bestuurders hebben meestal allen hun eigen behoeften en belangstellingen alsmede visies op hun stad, die door planologen moeten worden georganiseerd, vooral en in ’t bijzonder bij de planning van de openbare ruimte.

Het gezicht en karakter van een stad wordt voor een belangrijk deel bepaald door haar openbare ruimte, focus van het stedelijke leven. Utrecht wordt geassocieerd met de Domtoren en de Oudegracht met het unieke stelsel van werven. Maar pleinen? Als Utrecht nu juist iets niet heeft, dan zijn het wel pleinen of beter: bewuste pleinen. Zijn ze er, dan zijn ze min of meer toevallig ontstaan. Bijvoorbeeld het Vredenburg, ontstaan door de sloop van de gelijknamige dwangburg in de middeleeuwen – of het meest prominente voorbeeld, het Domplein, ontstaan door de instorting van het zwak gebouwde langschip van de Dom. En voor het stadhuis had tot korte tijd geleden een brug als Stadhuisplein moeten ontgelden, totdat op de achterzijde na sloop- en verbouwings-activiteiten een nieuw pleintje ontstond.

Dat de Neude in de Nederlandse versie van het spel “Monopoly” onder de Utrechtse pleinen het meeste geld oplevert, is aangezien het ontbreken van serieuze concurrenten niet verbazend en wel gemakkelijk gewonnen.

Een kleine urbanistische benadering van de Utrechtse pleinen betekendt vooral een beetje naar de historische ontwikkeling en gebruik van kenmerkende pleinen in Utrecht te kijken en hun hedendaagse gebruik, historie en aantrekkelijkheid te bepalen. Op dit moment balanceert de openbare ruimte tussen vitaliteit en verval, tussen alledaags gebruik en anonimiteit. Hebben de Utrechtse pleinen als onderdeel van de openbare ruimte het potentieel, de juiste kant op te slaan en hun functie als ontmoetingsplaats van de stedelijke maatschappij te vervullen?

Er zijn voor deze scriptie Utrechtse pleinen gekozen, die niet alleen voor zich maar ook voor een groep van pleinen staan.

In de toekomst zullen er enkele oude pleinen nieuw ontstaan in verband met de herstructurering van het stationsgebied, het Vredenburg is het meest prominente voorbeeld hiervan en sowieso een van de bekendste en belangrijkste pleinen. Het Janskerkhof staat plaatsvervangend voor pleinen, die een Doornroojeslaap houden. Het Stadhuisplein is een voorbeeld van de visie, eens een mooi en representatief binnenstadplein te creëren en de Neude is eigenlijk het plein van Utrecht en mag bij een benadering van de stedelijke pleinen niet ontbreken.

“In Nederland kunnen we geen pleinen maken” – deze uitspraak tijdens een stadsdebat over het stationsgebied in Utrecht in 2002 zou ons een beetje door de scriptie begeleiden en door zijn overtrokken formulering voor de Utrechtse pleinen sensibiliseren.

2 Waarom kunnen Nederlanders geen pleinen maken? ...een benadering vanuit een historisch perspectief

Weinig landen hebben in het zeventiende-eeuwse Europa zo sterk aandacht getrokken als de Republiek der Verenigde Nederlanden. Met een mixtuur van verbazing, bewondering en afgunst moesten de andere Europese landen vaststellen, dat ondanks de tachtig jaren durende oorlog de jonge republiek een zich spoedig ontwikkelende economische carrière doorliep. Het succes was vooral aanwezig in de steden, maar de nieuwe welvaart werd stedenbouwkundig anders vertaald dan elders in Europa. Welvaart en aanzien werden in de andere Europese steden door een strakke reglementering van de openbare ruimte getoond, het monumentale ensemble telde. Straten werden opgevat als zichtassen, gevelwanden als coulissen, pleinen als podium – de blik van de kijker moest werden gericht op een standbeeld, paleis of kerk. Pleinen behoorden tot het onmisbare vocabulaire van de macht, deze openbare ruimte was vooral representatieve ruimte, een gebruik onder waarde was niet denkbaar. Dit begrip van openbare ruimte vereiste een absoluut gezag en geen republikeins-protestants beleid.

Het protestantisme wordt vaak gezien als een verklaring voor het matig imponerende karakter van de Nederlandse steden in de zeventiende eeuw. Van een strakke hiërarchie van pleinen en straten was er geen sprake – soberheid, spaarzaamheid en vlijt worden aanmerkelijk hoger aangeslagen dan uiterlijk vertoon, adembenemende zichtassen of imponerende pleinen. Pleinen ontbraken weliswaar niet, maar ze konden de vergelijking met de openbare ruimte in andere Europese steden niet doorstaan. Nederlandse steden waren vooral utilitaire koopmanssteden, iedere vierkante meter moest te gelde worden gemaakt, het wegenstelsel was vaak ondergeschikt aan de waterstad, het vervoer op het water was belangrijker dan een mooie zichtas.

Maar ook het ontbreken van een sterk centraal gezag vormde een reden voor de afwezigheid van een monumentaal stadslandschap. (Wagenaar 1999, pp. 39-44)

Openbare ruimte was er vooral om nuttig te gebruiken en niet om indruk te maken. In Utrecht was de Oudegracht de handels- en levensader, de markten werden grotendeels gehouden over de bruggen van de gracht en in de daaromheen liggende straten en goederen werden op de werven omgeslagen. Misschien is daarmee ook de afwezigheid van vele pleinen in Utrecht te verklaren, omdat zij door een brug of werf werden vervangen – goede “plein-brug” voorbeelden in Utrecht zijn zeker de Stadhuisbrug (ontstaan door het samenvoegen van de middeleeuwse bruggen Brodbrug en Huidenbrug in de zestiende eeuw) en de Kalis- of Visbrug voor de Vis- en Zoutmarkt.

3 Het plein als onderdeel van de openbare ruimte

Wat is openbare ruimte? Waaruit bestaat eigenlijk openbare ruimte? Wat behoort bij een plein als onderdeel van de openbare ruimte? Vragen over vragen, die er soms moeilijk te beantwoorden zijn.

Openbare ruimten zijn essentieel voor de stad, zij vormen het gezicht van een stad en belichamen, zoals de Duitse architect en planoloog Tom Sieverts eens schreef, “de waardigheid van de stad” [die onaantastbaar zou blijven]. Ook in het 2001 verschenen Pleidooi voor de Openbare Ruimte (gepubliceerd door de ministeries van VROM, LNV en OcenW) wordt op deze zeer persoonlijke en misschien emotionele visie aangesloten: “Pleinen, straten, parken. Ze bepalen de identiteit van de stad en zijn vaak een stukje van ons leven, van onszelf en onze geschiedenis geworden.”

Voor de gebruikers lijkt het helemaal duidelijk – iedere vrij toegankelijke ruimte is voor hen ook openbare ruimte, hoewel het iets ingewikkelder is. Een gemengsel van openbare, semi-openbare, particuliere en zelfs geprivatiseerde openbare ruimten biedt een onoverzichtelijk aanbod, waarin bewoners, bezoekers en passanten zich blijkbaar thuis voelen. Voor de meeste mensen, die zich in een stedelijke ruimte bewegen, zijn deze nauwgezette onderscheidingen niet van belang en openbare ruimte meer een kunstmatige term dan een ervaarbare stedelijke toestand.

De openbare ruimte is bedoeld voor iedereen, maar tegelijkertijd lijkt de openbare ruimte ook van iedereen en dus van niemand te zijn. De openbare ruimte als voortdurend veranderend speelveld van burgers, overheid, marktpartijen en maatschappelijke belangengroeperingen – partijen met verantwoordelijkheid en partijen met betrokkenheid, georganiseerd en ongeorganiseerd, consumptie van openbare ruimte en productie van openbare ruimte, maar: wie is er verantwoordelijk voor wat?

Traditioneel gezien is de verantwoordelijkheid voor de openbare ruimte taak van de overheid, vooral van de gemeente. Vrije toegang, schoonheid, veiligheid en een stedenbouwkundig intacte staat en de organisatie van de openbare ruimte als geheel zijn de klassieke eisen aan de overheid, aan wie de autoriteit ook vaak wordt gemeten.

Maar leven word de openbare ruimte eerst ingeblazen door de gebruikers van bijvoorbeeld een plein. De gebruikers bepalen of een binnenstadse plein geaccepteerd is of niet – en niet de architecten en planologen, die het plein hebben ontworpen. Waarom functioneert een plein en wanneer functioneert een plein niet – vaak een bron van inspiratie en onbegrip voor zowel planologen als burgers. Is een plein meer dan alleen de pleinvlakte, de gevelmuren aan de zijkanten en de hemel daarover? En hebben wij überhaupt nog behoefte voor een openbare ontmoetingsplaats zoals een binnenstadplein in een tijd van WorldWideWebs en individualisme?

Wat betekent openbaarheid eigenlijk nog voor ons? Kan er sprake zijn van een crisis van de openbare ruimte?

(Rauterberg 2002, pp. 14-19; VROM 2002, pp. 7-41)

4 Pleinen in Utrecht – Kunnen Utrechters pleinen maken?

4.1 Het Vredenburg

Welkom in Utrecht! Voor reizigers, die vanaf het Centraal Station door Winkelcentrum Hoog Catharijne de stad binnenlopen, moet het aanzien van een van DE pleinen in Utrecht voor verwarring zorgen. Of je ziet een verzameling van zwerfvuil, fietsen en kleine stenen blokjes (die naar het schijnt zonder concept op het plein staan en door soms rare mensen worden bevolkt) of je ziet een verzameling van lelijke markttentjes met honderden mensen daaromheen. Aantrekkelijk entrée van de stad? Had je gedacht! Hoeveel geld hadden wij nog onlangs bij Monopoly voor dit lelijke stuk stad betaald? Maar verbetering is in zicht...

Om het ontstaan van het huidige plein een beetje beter te begrijpen, moet men in de geschiedenis enkele jaren teruggaan.

Abbildung in dieser Leseprobe nicht enthalten

Het Kasteel op het Vredenburg vanuit het zuiden rond 1560. Schilderij uit 1658. (bron: de Bruin 2000, p. 195)

Historie

Op het huidige plein Vredenburg word vanaf 1528 op last van de Spaanse Keizer Karel V (wie in dit jaar de heerschappij over Utrecht overneemt) een dwangburg gebouwd. Voor 1528 staat op het zogenaamde Catharijneveld het St.-Catharijneklooster van de johannieters. In verband met deze dwangburg worden enkele jaren later ook de vestigingswerken rond de huidige oude binnenstad versterkt.

Deze vreemdenheerschappij zou echter niet lang duren, 1577 verlaten de Spanjaarden naar een belagering door de Utrechtse burgers het kasteel, eerste acties om het gehate bouwwerk te slopen worden uitgevoerd. De ontstane vrije ruimte wordt gebruikt voor markten, vanaf midden de 17de eeuw ontwikkelt zich het Vredenburg terzijde van de Neude tot een van de belangrijkste pleinen van Utrecht. De veemarkt en de paardenmarkt vestigen zich op het plein en de jaarlijkse (later halfjaarlijkse) jaarmarkten winnen aan bovenregionale betekenis. Rond 1842 verdwenen de laatste restanten van het kasteel. Begin van de 20e eeuw is het plein het centrum van het Utrechtse uitgaansleven een het belangrijkste marktplein. Elke zaterdag word veemarkt gehouden en maandelijks de paardenmarkt. Aan de zuidwestkant van het plein is het stadsschouwburg gevestigd. Maar de Jaarbeurs drukt het plein steeds sterker zijn stempel op, tot 1921 jaarlijks, later halfjaarlijks, worden tijdens de jaarbeurs houten tentoonstellingsgebouwen opgetrokken. 1920 word in de noordwesthoek van het Vredenburg een vast gebouw voor de Jaarbeurs gebouwd, een de veemarkten verdwenen 1928 uiteindelijk naar nieuwe markthallen aan de Merwedekanaal, om de Jaarbeurs meer ruimte voor ontwikkeling te geven. De hele westkant van het plein wordt met tentoonstellingsgebouwen volgebouwd, ook de stadsschouwburg verhuist aan het eind van de jaren dertig naar het Lucasbolwerk. Het plein wordt nu volledig door de Jaarbeurs beheerst. Met de komst van autobussen voor het openbaar vervoer in Utrecht wordt het plein ook een centraal busstation.

Abbildung in dieser Leseprobe nicht enthalten

Het Vredenburg als parkeerterrein met de in 1970 gesloopte Jaarbeursgebouwen (Foto uit de jaren zestig; bron: Visser 2001, p. 204)

Na de oorlog ontstaat bij de beleidsmakers de behoefte, het centrum te herstructureren, het Vredenburg is erbij nog steeds een “zorgenkindje”, de transformatie tot een grootstedelijke plein is nog niet echt gelukt. In de jaren zestig zou het plein de misschien meest ingrijpende veranderingen doorlopen, 1962 word het plan Hoog Catharijne gelanceerd, in het kader van deze grootschalige verbouwing van de stationsomgeving zou de Jaarbeurs volledig naar de Croeselaan verhuizen, 1970 worden de jaarbeurspanden op het Vredenburg gesloopt. Nu is de weg vrij voor het nieuwe plein Vredenburg met een nieuw Muziekcentrum aan de noordwestelijke kant van het plein. De architect wil van het Vredenburg een intiem, informeel plein maken, maar de gemeente wil over het plein een straatverbinding tussen de St.Jakobsstraat en Mariaplaats realiseren, uiteindelijk kiest de gemeenteraad voor het plein en tegen de straat, die nog uit het oude “autostad-denken” dateert. 1979 word het Muziekcentrum geopend en het plein krijgt het gezicht, wat tot de huidige dag min of meer onveranderd bestaat.

(bronnen: de Bruin et. al. 2000, pp. 191-197, 268-270, 327, 364, 449-454, 480-484; Visser 2001, pp. 23-36, 204-205)

[...]

Details

Seiten
20
Jahr
2003
ISBN (eBook)
9783638403153
DOI
10.3239/9783638403153
Dateigröße
720 KB
Sprache
Niederländisch
Institution / Hochschule
Universiteit Utrecht – Gebiedsstudies en Stadsgeografie
Erscheinungsdatum
2005 (Juli)
Note
1,7
Schlagworte
Nederland Utrechtse Pleinen Projektstudie/

Autor

Zurück

Titel: 'In Nederland kunnen we geen pleinen maken'De Utrechtse Pleinen - een kleine urbanistische benadering